Kennisbank · Machineveiligheid & CE

Waar moet een noodstop aan voldoen?

Een noodstop moet volgens NEN-EN-ISO 13850 te allen tijde beschikbaar zijn en in elke bedrijfsmodus werken, alle andere functies overrulen, en met een enkele handeling te bedienen zijn. Het bedieningsorgaan is rood, waar mogelijk op een gele achtergrond, blijft na bediening vergrendeld tot iemand het bewust ontgrendelt, en dat ontgrendelen mag de machine niet starten maar alleen het starten weer mogelijk maken.

Wat een noodstop wel en niet is

Voordat we naar de eisen gaan, eerst het misverstand dat wij op de werkvloer het vaakst tegenkomen.

De noodstop is een aanvullende beschermende maatregel. De norm is daar uitgesproken over: de noodstop mag niet worden toegepast als vervanging van afschermingen, beveiligingsmiddelen of andere veiligheidsfuncties. Een machine met een gebrekkige afscherming wordt niet veilig door er een noodstop naast te hangen.

Nog zo een: de noodstop geldt niet als maatregel tegen onverwacht opstarten. Dat lijkt logisch, want de machine staat immers stil. Maar wie onderhoud pleegt achter een ingedrukte noodstop, is niet beschermd in de zin van de norm. Daarvoor is veilig scheiden van de energiebronnen nodig, volgens NEN-EN-ISO 14118, in de praktijk uitgevoerd als een LOTOTO-procedure.

Waar de noodstop wel voor is: een dreigende of al ontstane noodsituatie afwenden, of die nu ontstaat door het gedrag van mensen of door een onverwachte gebeurtenis aan de machine. De functie wordt in gang gezet door een enkele menselijke handeling.

De eisen aan de noodstopfunctie

  • Altijd beschikbaar. De functie moet te allen tijde beschikbaar en werkzaam zijn, in alle bedrijfsmodi van de machine. Ook in insteltoestand of onderhoudsmodus dus.
  • Overrulet alles. De noodstop gaat voor op alle andere functies en bedieningen, zonder daarbij andere beschermende functies te schaden. Denk aan het bevrijden van ingesloten personen of aan een blusinstallatie: die moeten blijven werken.
  • Blijft actief tot iemand hem bewust vrijgeeft. Zolang de noodstop actief is, mag geen enkel startcommando effect hebben op wat er is stilgezet.
  • Geen afweging vooraf. De functie moet zo zijn ontworpen dat iemand die besluit de noodstop te bedienen, niet eerst hoeft na te denken over de gevolgen daarvan. Twijfel kost seconden, en die zijn er in een noodsituatie niet.
  • Stopt zonder nieuwe gevaren. Gevaarlijke bewegingen moeten op een passende manier tot stilstand komen, zonder dat daarvoor nog verdere handelingen nodig zijn en zonder dat er nieuwe gevaren ontstaan.
  • Schaadt andere veiligheidsfuncties niet. Soms betekent dat juist dat iets moet blijven draaien: een magnetische opspanplaat of een remvoorziening bijvoorbeeld, want die loslaten zou pas echt gevaarlijk zijn.

Stopcategorie 0 of stopcategorie 1?

De noodstop werkt volgens een van twee stopcategorieën uit IEC 60204-1. Welke van de twee passend is, volgt uit de risicobeoordeling; het is geen vrije keuze en ook geen standaardinstelling.

Stopcategorie 0 Stopcategorie 1
Werking energie naar de aandrijvingen wordt onmiddellijk weggenomen energie blijft beschikbaar om gecontroleerd af te remmen, en wordt weggenomen zodra de beweging stilstaat
Voorbeelden motorvoeding elektromechanisch uitschakelen; ontkoppelen; hydraulische of pneumatische toevoer blokkeren; de functie Safe torque off (STO) de beweging afremmen en daarna pas de voeding wegnemen; de functie Safe stop 1 (SS1)
Wanneer passend als direct wegvallen van energie de veiligste uitkomst geeft; aanvullend remmen kan nodig zijn als abrupt wegvallen van energie zelf gevaar oplevert, bijvoorbeeld bij grote massa's die dan ongecontroleerd uitlopen

Waar moeten de noodstoppen zitten?

Een noodstoporgaan hoort op iedere bedieningsplaats, tenzij uit de risicobeoordeling blijkt dat dat niet nodig is. Daarnaast bepaalt de risicobeoordeling welke andere posities noodstoppen nodig hebben. De norm noemt daarbij:

  • bij ingangen en uitgangen van de machine of de omheining;
  • op plaatsen waar iemand aan de machine moet ingrijpen, bijvoorbeeld bij bediening die je moet vasthouden om te laten werken;
  • op alle plaatsen waar het ontwerp een wisselwerking tussen mens en machine voorziet, zoals een laad- en loszone.

Ze moeten direct bereikbaar zijn en zonder gevaar te bedienen door iedereen die ze mogelijk nodig heeft. Dat is niet alleen de operator.

Welke noodstop stopt wat: het bereik

Het bereik van elk noodstoporgaan moet in beginsel de hele machine omvatten. Een uitzondering is toegestaan wanneer het stilzetten van alle gekoppelde machines juist extra gevaren zou opleveren of de productie onnodig zou raken. Zo'n bereik kan dus ook een sectie van een machine of juist een groep machines beslaan, en bereiken mogen elkaar overlappen.

Werkt u met meerdere bereiken, dan gelden er strikte voorwaarden. De bereiken moeten duidelijk gedefinieerd en herkenbaar zijn, en bij elk noodstoporgaan moet ter plekke duidelijk zijn wat het stopzet. De norm merkt daarbij op dat het lezen van teksten of instructies, of het vooraf moeten weten hoe het zit, juist vermeden moet worden: een pictogram of de plaatsing zelf moet het duidelijk maken. Verder mag het bedienen van een noodstop in het ene bereik nooit verhinderen dat er in een ander bereik ook een noodstop kan worden geactiveerd. Noodstoppen met een verschillend bereik horen, voor zover uitvoerbaar, niet dicht bij elkaar te zitten.

Bij het toewijzen van die bereiken wegen mee: de fysieke opbouw van de machine en wat je ervan kunt zien, of een gevaarlijke situatie herkenbaar is (zicht, geluid, geur), wat het productieproces veiligheidstechnisch toelaat, de voorzienbare blootstelling aan gevaren, en de gevaren die er vlak naast zitten.

Hoe moet een noodstop eruitzien?

  • Rood, op geel. Het bedieningsorgaan is rood. Voor zover er een achtergrond achter zit en het uitvoerbaar is, is die geel.
  • Geen tekst of symbolen. Op het bedieningsorgaan noch op de achtergrond horen teksten of symbolen te staan. Is verduidelijking nodig, dan wordt het symbool IEC 60417-5638 gebruikt. Moet de ontgrendelrichting worden aangegeven, dan krijgt die aanduiding (vrijwel) dezelfde kleur als het bedieningsorgaan zelf, zodat een pijl niet wordt aangezien voor de bedieningsrichting.
  • Vorm. Toegestaan zijn drukknoppen die met de handpalm te bedienen zijn, trekkoorden, kabels of stangen, hendels, en voetpedalen zonder beschermkap wanneer er geen andere oplossing mogelijk is.
  • Vergrendelend en met directe openingswerking. Een elektrisch noodstoporgaan past het principe van directe openingswerking toe, met mechanische vergrendeling, conform IEC 60947-5-5. Bij pneumatische of hydraulische uitvoering geldt hetzelfde principe van positieve mechanische werking.
  • Stopcommando ook zonder vergrendeling. Het bedienen moet een stopcommando geven, ook wanneer het orgaan niet daadwerkelijk vergrendelt.
  • Niet te blokkeren. Noodstoppen moeten zo zijn ontworpen en gemonteerd dat het bedienen niet eenvoudig kan worden geblokkeerd. De norm noemt twee oorzaken: voorwerpen die onder het bedieningsvlak terechtkomen, en opzettelijk buiten werking stellen.
  • Liever geen sleutel. Een noodstop die alleen met een sleutel te ontgrendelen is, moet worden vermeden. Kan het niet anders, dan moet de gebruiksaanwijzing het juiste gebruik van die sleutel beschrijven, met de waarschuwing dat de sleutel alleen in het orgaan hoort te zitten om te ontgrendelen. Anders levert de uitstekende sleutel zelf handletsel op.

Ontgrendelen en opnieuw starten

Het effect van een bediende noodstop blijft bestaan totdat het bedieningsorgaan wordt ontgrendeld. Dat ontgrendelen kan alleen door een opzettelijke menselijke handeling op het orgaan waar het commando is gegeven. Niet centraal vanuit de kast, niet vanaf een ander paneel.

En dan de eis die in de praktijk het vaakst wordt geschonden: het ontgrendelen mag de machine niet opnieuw starten. Het mag het opnieuw starten alleen mogelijk maken. Starten is daarna een aparte, bewuste handeling.

De gebruiksaanwijzing van de machine moet bovendien voorschrijven dat de machine na bediening en voordat het orgaan wordt ontgrendeld, wordt onderzocht om te achterhalen waarom de noodstop is bediend. Iemand had een reden. Die reden wegdraaien zonder te kijken is precies hoe een tweede incident ontstaat.

Hoe betrouwbaar moet de noodstopfunctie zijn?

De veiligheidsgerelateerde delen van de besturing die de noodstopfunctie uitvoeren, moeten voldoen aan NEN-EN-ISO 13849-1 en/of IEC 62061. Welk niveau nodig is, hangt af van het doel van die specifieke noodstopfunctie, maar de norm noemt een ondergrens: minimaal PLr c of SIL 1.

Verder moeten de gebruikte componenten bestand zijn tegen de omstandigheden waarin ze staan. De norm noemt daarbij expliciet de bedieningsfrequentie en de noodzaak van periodiek testen, juist bij organen die zelden worden gebruikt, en omgevingsinvloeden als trilling, schok, temperatuur, straling (ook gewoon zonlicht), regen, sneeuw, bevriezing, stof, vuil, vocht en corrosieve stoffen. Een noodstop buiten in een recyclingstraat staat er anders bij dan een in een schone verpakkingsruimte.

Uit de praktijk

Wat Samodi vaak ziet misgaan.

Noodstop als vervanging van afscherming

Een onafgeschermde aandrijving met een noodstop ernaast. De norm sluit dat expliciet uit: de noodstop is aanvullend, niet vervangend.

Onderhoud achter een ingedrukte noodstop

Begrijpelijk, maar de noodstop is geen maatregel tegen onverwacht opstarten. Daarvoor is veilig scheiden van de energiebronnen nodig.

Herstart bij ontgrendelen

De machine loopt weer aan zodra iemand de knop terugdraait. Dat mag niet: ontgrendelen maakt starten alleen mogelijk.

Onduidelijk bereik

Bij een lijn van gekoppelde machines weet niemand welke knop wat stopzet. Dan kost het denkwerk in plaats van een reflex.

Geblokkeerd of dichtgezet

Een pallet ervoor, een kap eroverheen, of een orgaan dat door vuil niet meer volledig indrukt. De norm eist dat blokkeren niet eenvoudig kan.

Nooit getest

Een noodstop die jaren niet is bediend, is een aanname en geen voorziening. Zeldzaam gebruik is juist een reden om periodiek te testen.

Gerelateerd

Lees ook.

Machine-afscherming

Waar een afscherming aan moet voldoen, en waarom de noodstop die nooit vervangt.

LOTOTO

Veilig scheiden van energiebronnen: de maatregel die wel tegen onverwacht opstarten beschermt.

Veelgestelde vragen

Vragen die wij vaak krijgen.

Waar moet een noodstop aan voldoen?

Een noodstop moet volgens NEN-EN-ISO 13850 te allen tijde beschikbaar zijn en in elke bedrijfsmodus werken, alle andere functies en bedieningen overrulen, en met een enkele handeling te bedienen zijn. Het bedieningsorgaan is rood, met waar mogelijk een gele achtergrond, blijft na bediening vergrendeld tot iemand het bewust ontgrendelt, en dat ontgrendelen mag de machine niet starten maar alleen het opnieuw starten mogelijk maken.

Welke kleur moet een noodstop hebben?

Het bedieningsorgaan moet rood zijn. Voor zover er een achtergrond achter het bedieningsorgaan zit en het uitvoerbaar is, moet die achtergrond geel zijn. Op het bedieningsorgaan en de achtergrond horen geen teksten of symbolen te staan. Is verduidelijking nodig, dan wordt het symbool IEC 60417-5638 gebruikt.

Is een noodstop op elke machine verplicht?

De Machinerichtlijn 2006/42/EG schrijft in bijlage I §1.2.4.3 voor dat machines zijn uitgerust met een noodstopvoorziening. Er zijn twee uitzonderingen: draagbare machines die met de hand worden vastgehouden of geleid, en machines waarbij een noodstop het risico niet zou verkleinen. Op welke bedieningsplaatsen en welke andere posities noodstoppen nodig zijn, volgt uit de risicobeoordeling.

Wat is het verschil tussen stopcategorie 0 en stopcategorie 1?

Bij stopcategorie 0 wordt de energie naar de aandrijvingen onmiddellijk weggenomen; de machine loopt uit of wordt aanvullend geremd. Bij stopcategorie 1 blijft de energie beschikbaar om gecontroleerd af te remmen, en wordt de energie pas weggenomen zodra de beweging tot stilstand is gekomen. Welke categorie passend is, volgt uit de risicobeoordeling.

Vervangt een noodstop een afscherming?

Nee. De noodstop is volgens NEN-EN-ISO 13850 een aanvullende beschermende maatregel en mag niet worden toegepast als vervanging van afschermingen, beveiligingsmiddelen of andere veiligheidsfuncties. De noodstop geldt bovendien niet als maatregel tegen onverwacht opstarten; daarvoor is NEN-EN-ISO 14118 bedoeld.

Mag de machine weer starten als de noodstop wordt ontgrendeld?

Nee. Het ontgrendelen van het noodstoporgaan mag de machine niet opnieuw starten, maar mag het opnieuw starten alleen mogelijk maken. De gebruiksaanwijzing moet bovendien voorschrijven dat de machine na bediening en voor het ontgrendelen wordt onderzocht om de reden van de bediening te achterhalen.

Hulp nodig?

Twijfelt u of uw noodstoppen voldoen?

Samodi beoordeelt de noodstopvoorziening van uw machines tegen NEN-EN-ISO 13850 en IEC 60204-1: plaatsing, bereik, stopcategorie, uitvoering en herstartgedrag. U krijgt schriftelijk terug wat er niet klopt en welke maatregel erbij hoort.

Liever eerst vrijblijvend kijken? Vraag de gratis quickscan aan. Samodi komt maximaal een uur langs en geeft u op hoofdlijnen inzicht in wat er ontbreekt. Geen verplichtingen.

Stel uw vraag

Binnen 24 uur reactie. Of bel direct: 06-15409872.